1.1 De cel is omgeven met het natuurlijk milieu waaruit zij is ontstaan

In het zilte zeewater beschermden de eerste levende ééncelligen zich in de beschutting van een levend membraan om zich aan de omgeving te kunnen aanpassen en te kunnen blijven bestaan. Door meerdere, onderlinge opeenvolgende verbinding tussen die ééncellige micro-organismen en, de daaruit voortvloeiende verschillende samenwerkingen, ontstonden vollediger typen cellen, cellen met een kern. Deze micro-organismen slaagden erin zich met een biotisch membraan te omgeven. Onze  lichaamscellen beantwoorden aan dit type.

Het biotisch membraan beschermt het protoplasma van elke cel. Zowel de celkern als de cel-inhoud (het cytoplasma) bevinden zich in het intracellulair compartiment van de cel. Het cytoplasma doet zich voor als een eiwithoudende visceuze vloeistof waarin verschillende reacties van de celstofwisseling plaatsvinden. De cel-inhoud bezit een structuur die een coördinatie van die reacties toelaat.

De chemische samenstelling van het lichaamsvocht rond de cel (extracellulair vocht), dat in alle essentiële kenmerken vergelijkbaar is met het zoute water waarin meercellige wezens zijn ontstaan, bepaalt het tijdstip van ontstaan van de diersoorten. Het zoutgehalte van het lichaamsvocht verschilt van dier tot dier.

Extracellulair vocht vloeit vrijelijk door het organisch lichaam van mens en dier. Bij de mens bedraagt het zoutgehalte 9 ‰. (9g zout per liter)

1.2 “De uitzonderlijk rijkdom van zeewater”